In de blog PD voor Dummies leken de belangrijkste vraagstukken voort te komen uit twee of zelfs drie teams van dezelfde vereniging in dezelfde divisie.
Dat is geen toeval. Dat is het gevolg van een trend die al veel langer is ingeslagen. In 2000 was 15% van de teams in de hogere divisies niet het eerste team van de vereniging. In 2014 was dat 20%. Anno 2026 zitten we rond de 30%. De trend is onmiskenbaar.
Die ontwikkeling komt vooral door fusies en het samengaan van verenigingen. Er zijn minder clubs, maar grotere clubs. En dus ook minder eerste teams, en dus meer tweede, derde en soms zelfs vierde teams die op hoog niveau spelen.
Maar is dat positief? Of negatief?
Noem me verwend, maar spelen tegen dames drie op het achterste veld om 12:30 uur, met ballen van dames zeven - die ernaast spelend - tussendoor in het veld stuiteren, voelt minder aantrekkelijk. Of donderdagavond om 21:00 uur, naast de recreanten, draagt ook niet bij aan een positief beeld dat ik bij divisievolleybal vind horen.
Het contrast met het einde van een zaterdagmiddag op het centre court, met muziek, dejays, mini van de week en een tribune vol spelers van eerdere wedstrijden, is groot. Dat voelt meer als “club tegen club”. Meer als waar de divisie ooit voor bedoeld leek.
En toch is dat niet het hele verhaal.
Tweede en derde teams hebben ook een functie. Voor verenigingen die spelers opleiden en op hoog niveau spelen, ontstaat er een gat tussen breedte en top. Dat gat kan ook opgevuld worden door iets wat nog minder aantrekkelijk is: het ronselen van spelers bij andere eerste teams. In die zin werken de teams als een soort 'ronselgedrag-demper'.
Tweede en derde teams zijn óók de plek waar spelers terechtkomen die jarenlang hoog gespeeld hebben en het iets rustiger aan willen doen. Die tillen het niveau van zo’n team omhoog.

Tegelijkertijd zie je in de tegenwoordig dat dat ronselen zich inmiddels óók richt op tweede en derde teams. Jonge spelers worden verleid dat met spelen in het derde en met de belofte dat ze kunnen meetrainen op een hoger niveau, iets wat eerste teams van kleinere verenigingen simpelweg niet kunnen bieden.
De trend lijkt bovendien niet te stoppen. Als deze lijn zich doorzet, is het niet ondenkbaar dat rond 2045 de helft van de teams in de top van het volleybal bestaat uit tweede, derde, vierde en zelfs vijfde teams van verenigingen. Als een soort van veredelde onderlinge clubcompetitie maar dan met Nevobo-inschrijfgeld.
Het meest opvallende is misschien nog wel dat er bij deze ontwikkeling er vanuit de bond nauwelijks duidelijke regels lijken te zijn over wanneer teams van dezelfde vereniging wel of niet samen in een divisie terechtkomen. Het “zoveel mogelijk geografisch en spreidend werken, inclusief het verspreiden van teams van dezelfde club over poules waar mogelijk" lijkt wel erg losjes geformuleerd. Dat kan veel strakker.
En daarmee blijft vooral één vraag hangen:
Is de competitie eigenlijk nog wel ontworpen voor hoe het volleybal er nu uitziet?
Normaal gesproken eindig ik dit soort blogs met een oplossing. Een voorstel waar je het hartgrondig mee oneens kunt zijn. Dat leest lekker weg.
Hier lukt me dat niet zo goed.
De voetbal-optie — alleen eerste teams in dezelfde competitie — klinkt overzichtelijk, maar leidt waarschijnlijk tot iets wat nóg minder aantrekkelijk is: kleine verenigingen die wanhopig spelers moeten gaan zoeken om hun eerste team representatief te houden. Nog meer ronselen dus.
Misschien moeten we dan maar accepteren dat over een aantal jaar de Superdivisie bestaat uit tweede teams van Eredivisieclubs.
Dat voelt ongemakkelijk om op te schrijven. Maar een beter antwoord heb ik ook niet. Ik kan alleen signaleren dat de competitie steeds meer begint te schuren met hoe het volleybal georganiseerd is.
Misschien weet jij wél hoe dit systeem er over twintig jaar uit zou moeten zien?
Dat het er anders uit gaat zien, lijkt in ieder geval zeker.

Reacties
Een reactie posten