Daniel Kahneman en Amos Tversky zijn twee van mijn favoriete wetenschappers.
Ik hou namelijk niet van psychologie van de koude grond. Van die wijsheden die kant noch wal raken en die door voetbalanalisten met stelligheid de wereld in worden geslingerd. “Finales speel je op karakter” of “Dit team heeft geen winnaarsmentaliteit.” Nadat ze net de kwartfinale wél hebben gewonnen.

Kahneman en Tversky laten met eenvoudige experimenten zien dat er wél psychologische wetmatigheden bestaan. Geen meningen. Geen onderbuik. Maar patronen die terugkeren. En de relevantie van hun onderzoek voor sport is verrassend groot.
Neem het volgende experiment. De ene groep kreeg een mok. Gewoon, een mok. Daarna mochten ze bepalen hoeveel hun bezit waard was. De gemiddelde prijs werd ongeveer 7 dollar.
De andere groep kreeg geen mok, maar mocht exact dezelfde mok kopen. Zij bepaalden de waarde op ongeveer 3 dollar.
Exact dezelfde mok was ineens veel minder waard.
Mensen willen hun eigen bezit voor veel meer geld verkopen dan anderen ervoor willen betalen. Niet omdat die mok anders is. Maar omdat hij van hen is.
De wetenschappelijke conclusie — en sindsdien eindeloos reproduceerbaar — heet verliesaversie: de angst om iets kwijt te raken is groter dan de drang om iets te winnen.
Zodra mensen het gevoel hebben dat ze “iets bezitten”, verandert hun gedrag fundamenteel.
In sport ga je dan niet meer spelen om te winnen. Dan ga je spelen om niet te verliezen.
En daar moest ik aan denken bij de finales tussen Sliedrecht Sport en Apollo 8.
Ik heb ze allemaal gezien. De finalewedstrijden én de bekerfinale. En misschien zat daar precies het verschil.
Sliedrecht Sport bezat het seizoen. Alle wedstrijden gewonnen. De koppositie. De status. En dat bevestigden ze nog eens tijdens de bekerfinale. Ik hoorde spelers daar zelfs tegen elkaar zeggen: “Kom op, wij zijn het hele seizoen al de beste.”
In de finale om het landskampioenschap hadden ze daardoor iets wat ze alleen nog maar konden kwijtraken.
En Kahneman laat zien: zodra je iets bezit, ga je spelen om het niet kwijt te raken.
Apollo 8 daarentegen bezat niets. Die speelden om iets te krijgen.
Dat is een totaal andere mentale startpositie, zonder dat iemand dat hardop uitspreekt. Je ziet het niet in statistieken. Je hoort het niet in time-outs. Maar je voelt het in het spel. In nét niet voluit slaan. In nét iets veiliger serveren. In nét iets eerder denken: “O jee, als dit maar goed gaat.”
Ik geef toe: ik ben geen insider. Ik was niet bij de training. Niet bij de voorbereiding. Niet in de kleedkamer. Deze blog gaat daarom ook niet over wat daar precies is gezegd of gedacht, maar over psychologische wetten waar je als coach wél je voordeel mee kunt doen.
Want deze wetmatigheid zie je overal terug in sport. Het is niet voor niets dat zoveel coaches de underdog spelen. “Zij zijn favoriet, wij hebben niets te verliezen.”
Dat is geen valse bescheidenheid. Dat is slim, als je Kahneman begrijpt.
Klein detail: het moet natuurlijk wel geloofwaardig zijn.
Als je het hele seizoen alles wint, én ook nog de bekerfinale, is “wij zijn de underdog” vooral poppenkast.
Net zoals de tegenstander wel het gevoel moet hebben dat er iets te halen valt. Bijvoorbeeld doordat je nét aan de bekerfinale verliest.

Een mooi historisch voorbeeld zag je bij de Olympische finale van 1996 tussen het Nederlandse mannen volleybalteam en het Italiaanse mannen volleybalteam. Italië was al jaren vrijwel ongeslagen. Won ongeveer alles wat er te winnen viel. En precies dát werd hun mentale bagage in die finale.
En nee, psychologie verklaart niet alles. Het is zeker niet zo dat de underdog altijd wint. Dat zou te eenvoudig zijn.
Maar het verandert wél het speelveld. Een beetje.
En soms is dat beetje precies genoeg om een finale anders te spelen.
Soms is “net genoeg” het verschil tussen landskampioen worden… of naar huis gaan met het gevoel dat je iets hebt verloren wat je misschien al dacht te bezitten.
Reacties
Een reactie posten