Hokjes

De mens stopt graag anderen in hokjes. En zichzelf. We zijn er dol op.


Dat blijkt uit de eindeloze stroom “Doe hier de test; welk type ben jij?”-testen die ons dagelijks bestoken. Elke zichzelf respecterend bedrijf heeft er wel één: Welk interieurtype ben jij? Welk reistype? Slaapstijl? Of welke koffie past bij jouw persoonlijkheid? En er is altijd wel een type die “akelig goed” klopt.

Dat in hokjes stoppen geeft rust. Overzicht. Identiteit. En vooral het geruststellende gevoel dat we weten hoe de wereld — en wijzelf — in elkaar zitten.

Hokjesdenken is menselijk gezien niet vreemd. Mensen zijn namelijk extreem goed in het herkennen van patronen. Evolutionair gezien was dat zelfs noodzakelijk. Wie verbanden zag, overleefde. Wie dacht: “die tijger zal vast toeval zijn”, had een kortere carrière.

Het probleem is alleen dat we patronen zien — ook als ze er helemaal niet zijn. Nog erger, eenmaal een patroon herkent, het blijkt bijzonder lastig een patroon te 'ontzien'.

Dat wordt extra verwarrend doordat er dingen bestaan die volgens onzichtbare patronen blijken te werken. DNA. Natuurwetten. Zwaartekracht. Zaken die zich voorbeeldig gedragen, tenminste als je de regels weet. Dat voedt de overtuiging dat alles een onderliggende ordening heeft. Als we maar goed genoeg meten. Of testen. En labelen.

Er zijn natuurlijk ook mensen die zeggen: “Ik pas niet in een hokje.” Dat klinkt autonoom. Diepzinnig ook.

Maar helaas: ook dat is gewoon een categorie. De categorie van de hokjesweigeraar. Vaak omschreven ze zich met woorden als “authentiek” en “meerdimensionaal”. Een prachtig vakje, dat wel.

In het volleybal ontkomen we niet aan hokjes. Het spel is geëvolueerd. We hebben spelverdelers, middens, passer-lopers en libero’s. Behalve op het Oliebollentoernooi, staat niemand staat meer “gewoon een beetje overal”. Dat in een specialistisch hokjes stoppen doen we snel. Misschien wel te snel?

Ook lengte is een categorie met betekenis. In het dagelijks leven ben je als man boven de 1.90 lang. In de volleybaltop ben je ineens gemiddeld of zelfs klein. Dezelfde lengte, andere context, ander etiket.

Deze indelingen zijn echter functioneel. Ze zeggen iets over rollen, taken en spelopvatting. Ze doen geen uitspraak over wie je bent, alleen over wat je doet binnen een systeem.

Alleen, het ene hokje is het andere niet. Er zijn ook categorie-indelingen waar de sport opvallend gevoelig voor is en die ... laten we ze vriendelijk creatief noemen.

Neem Myers-Briggs. Een persoonlijkheidstype-indeling die al decennialang rondzwerft in coaching, management en de sport. 

De populariteit van MBTI is niet gebaseerd op waarheid maar op psychologische aantrekkingskracht. Het voelt persoonlijk.

Uitspraken als: “Je bent zelfstandig, maar hecht ook aan erkenning” of: “Je kunt sociaal zijn, maar hebt ook momenten van terugtrekking

Iedereen herkent zich hierin. Dat is geen toeval, dat is het Barnum of Forer-effect. Vage, algemeen geldende zinnen die aanvoelen alsof ze speciaal voor jou zijn geschreven. Niet omdat ze precies zijn, maar omdat ze slim genoeg vaag zijn.

Het Forer-effect is dé reden dat persoonlijkheidstesten zo overtuigend aanvoelen. Je ziet het patroon. Herkenning wordt verward met waarheid. 

Wetenschappelijk gezien is Myers-Briggs zo lek als een vergiet.

Er bestaat geen robuust peer-reviewed bewijs. Geen statistisch significante ondersteuning. Geen dubbelblind experimenteel onderzoek dat aantoont dat MBTI-typen iets zinnigs voorspelt over leren, presteren of coachen. Zoiets als "welke koffie past bij jouw persoonlijkheid?

Maar dat doet er opvallend weinig toe. Want het voelt goed. En gevoel wint het vrijwel altijd van data en bewijs. 

Deze blog verandert daar helemaal niets aan. En dat is meteen een geruststellende conclusie.

Want als je nu denkt: “Ja, deze blog is echt typisch iets voor mij” of: “Deze blog is echt onzin” — precies.

Je zit alweer in een hokje.

Reacties