Kennen jullie de BNXT League? Misschien een gekke vraag aan volleyballiefhebbers. Toch is wat daar nú gebeurt relevant.
In het basketbal schrijven drie clubs zich komend seizoen niet meer in voor de BNXT League, zeg maar de basketbalse Bene-League . Niet omdat ze gedegradeerd zijn — dat kennen ze daar ook niet in de hoogste klasse — maar simpelweg omdat de licentie-eisen niet meer te doen zijn. Gevolg: nog maar vijf Nederlandse teams over.
En dat is interessant, omdat er opvallend veel overeenkomsten zijn met het volleybal. Ook die competitie staat los van de sportbond. Ook daar is dus degradatie in de klassieke zin verdwenen. En ook daar wordt gespeeld tegen Belgische teams die sportief beter zijn.
Maar wat basketbal en volleybal vooral bindt, is iets anders: de beperkte positie in de Nederlandse sportwereld.
Deze sporten zijn nu eenmaal geen voetbal, en in mindere mate ook geen hockey of schaatsen. Dat zijn sporten waar publieke omroepen wél automatisch op aanslaan en waar zelfs commerciële zenders ruimte voor maken. Met als gevolg: een totaal andere infrastructuur, media-aandacht en financiële basis.
En precies daar wringt het.
Volleybal en basketbal willen óók graag “mee in de vaart der volkeren”. Niet alleen als hockey en voetbal, maar ook buitenlandse competities in Italie of Duitsland als het grote voorbeeld. Met het idee: als we het model maar professioneel maken, groeit de wereld vanzelf mee. De werkelijkheid past zich wel aan ons aan.
Totdat de werkelijkheid zich niet langer laat buigen — en clubs tegen de muur lopen. Zoals nu in het basketbal.
Er is de wens om tegen de Belgen te spelen. Sportief logisch. Maar dat zet een voorspelbare kettingreactie in gang: betere spelers nodig, lees: buitenlandse spelers halen. Ik liet eerder al zien dat het aantal buitenlandse spelers in de Eredivisie elk jaar stijgt.
In basketbal is dat al veel langer het geval: een instroom van vooral derderangs Amerikanen die hun heil in Europa zoeken, en hier geacht worden het verschil te maken.
Intussen worden licentie-eisen verder opgeschroefd: grote hallen, speciale vloeren, videosystemen, hogere budgetten en steeds professionelere randvoorwaarden.
En als je het scherp bekijkt, gebeurt er iets wrangs: we geven steeds meer geld uit aan buitenlandse spelers in mooi aangeklede zalen … die spelen voor ... ja voor wie precies?
Half anonieme teams met buitenlanders voor halflege tribunes en betaalde streams achter een betaalmuur. Want zeg me eerlijk, wiens hart is nu echt sneller gaan kloppen van Lars-Kristian Ekeland. Of Nezar Harouk? En als je je afvraagt, wie zijn dat ... precies!
En als ik eerlijk ben, Lycurgus - Orion Stars vind ik veel interessanter dan Achel of Menen.
Misschien zit de fout dus niet in dát we professionaliseren. Misschien zit de fout in hóe we professionaliseren.
Want nu is professionaliseren vooral licentie. De vloer. De uitstraling. De randvoorwaarden. Niet voor niets hield Ali Moghaddassian van Keistad eerder een pleidooi om een deel van die randvoorwaarden te heroverwegen.
Want er lijkt nauwelijks oog voor het fundament van de Nederlandse sport: de vereniging. Proberen we niet simpelweg een buitenlands model te importeren in een omgeving die daar niet op gebouwd is?
Wat als de licentie-eis niet is: "heb je de juiste vloer?" maar: "heb je 100 volleyballende jongens in je club?" Of: "heb je minstens 700 leden?"
Want een club die structureel jeugd aantrekt, opleidt, liefhebbers uit de omgeving bindt en honderden kinderen laat volleyballen, die vereniging heeft bestaansrecht.
Doorgaan met het opschroeven van licentie-eisen in sporten die nu eenmaal geen miljoenenpubliek trekken, levert uiteindelijk maar één ding op. Basketbal geeft al het voorbeeld. Van acht naar vijf clubs. En binnenkort naar … naar nul clubs?
De vraag is of volleybal dit voorbeeld op tijd herkent. Want een club met budget en een perfecte vloer maar geen jeugd en geen achterban … heeft vooral een mooie vloer.



Reacties
Een reactie posten